Toen de wereld net geschapen was, had Luipaard geen vlekken. Hij vond het heerlijk om zich geheel uit te strekken op een tak van een boom en te wachten op een dier dat onder de boom doorliep waarna hij hem besprong. Luipaard was zo goed hierin geworden,  dat steeds minder dieren de boom bezochten om van de bladeren te eten. De boom was heel blij met de aanwezigheid van Luipaard en ze werden goede vrienden. Als Luipaard erg warm werd, dan wuifde de boom hem met zijn bladeren en takken koelte toe. Al snel waren alle dieren wijs geworden en kwamen ze niet meer in de buurt van de boom waar Luipaard verbleef. En dus moest Luipaard zijn boom verlaten om op jacht te gaan. Hij was inmiddels heel hongerig geworden!

Toen Luipaard echter de boom verliet, was hij heel goed zichtbaar in het bos en in de bushveld. Alle dieren renden weg en verstopten zich. ‘Jagen is wel heel hard werken’, zo klaagde Luipaard tegen de boom. ‘Als ik jouw schaduw-kleuren zou kunnen dragen, dan zou ik de dieren kunnen verrassen en ze weer kunnen bespringen!’ ‘Wat een goed idee’ zei de boom. Hier neem deze schaduwen van mijn bladeren, ik heb er genoeg!

‘Ik maak vlekken op mijn vacht’, dacht de Luipaard, ‘maar ik wil ze niet zo vies groot hebben, ik wil echt niet op een giraffe of zebra gaan lijken!’ Dus likte Luipaard de schaduwen van de bladeren op en bracht ze met zijn poten op zijn hele vacht aan. En waar zijn poten de vacht beroerden, lieten ze 5 kleine zwarte merktekens achter, allemaal dicht bij elkaar gegroepeerd als een soort rozetten. Soms veegde hij wat met zijn poot en dan vervaagden de merktekens.

Al gauw was het Luipaard geheel in vlekken gehuld en kon hij dus niet meer zo makkelijk door andere dieren worden gespot. Hij kon nu op de grond liggen en leek dan op een hoopje stenen. Hij kon op de kale rotsen liggen en was een stuk graniet met lichte en donkerdere kleuren. Hij kon op een tak van een boom liggen en leek dan de zon die door de bladeren scheen. En hij kon op een pad liggen en dan eigenlijk eruit zien als ‘niets bijzonders’.

Vanaf die dag heeft een Luipaard een gevlekte vacht en kan hij overal in het bos en op het open veld dieren bespringen. Je kunt de rozetten op elk luipaard terugvinden. En hoewel ze op sommige plaatsen wat vaag zijn, zal je zien dat elke rozet uit  5 merktekens bestaat. En als hij niet bezig is met jagen, dan keert Luipaard naar zijn favoriete boom terug en daar kun je hem dus terugvinden. En hij is heel blij met zijn vlekken!

 

Acht fascinerende feiten over het luipaard

  1. Een luipaard is geen paard en al helemaal niet lui. Waar komt dan toch die gekke naam vandaan? Het woord luipaard komt van het Franse woord ‘lupard’. De Fransen hebben dit woord weer overgenomen van het Griekse samengestelde woord voor leeuw en panter:  Leo-pardus. We komen dan meteen bij de verklaring voor de naam van luipaarden. Vroeger dachten mensen namelijk dat luipaarden kruisingen waren tussen leeuwen (leo in het Latijn) en panters (in het Latijn: panthera pardus).
  2. Luipaarden staan bekend om hun behendigheid. Ze kunnen gedurende een korte tijd tot wel 58 kilometer per uur halen en meer dan 6 meter omhoog en 3 meter ver springen. Ze zijn verder excellente zwemmers. Het mannetjes luipaard is veel groter dan het vrouwtje (scheelt wel 50%), maar het vrouwtje is even behendig. De staart van een luipaard is ongeveer even groot als zijn lichaam en wordt gebruikt om te balanceren en maakt het mogelijk om scherpe bochten te maken.
  3. Hoewel het luipaard een van de kleinere katachtigen is, zijn ze wel het sterkst van allemaal. Ze kunnen in hun eentje een grote antiloop vangen (van wel 12 keer hun eigen lichaamsgewicht) en een mannetjes luipaard kan een beest tillen van wel drie keer het eigen lichaamsgewicht.
  4. Als een vrouwtjes luipaard wil paren, dan zal ze dat doen met zoveel mogelijk dominante mannetjes in en rondom haar territorium. Hiermee vermindert ze het risico dat de jonge katjes door een van de mannetjes wordt gedood, dit nu ze alle denken dat zij devader zijn van de jonge luipaardjes.
  5. Luipaarden zijn zeer intelligente jagers. Soms als ze aan het jagen zijn maken ze een krakend geluid met hun poten. Daardoor creëren ze chaos onder de prooidieren en krijgen ze in de gaten welke dieren zwak zijn of makkelijk te vangen zijn. Het zijn opportunistische jagers: als ze een zwakker prooidier tegenkomen met een prooi, dan zullen ze dat dier verjagen en de prooi opeten. Vaak verjagen ze cheeta’s op deze manier.
  6. Deze forse kat komt voor in bosrijke gebieden in vrijwel geheel Afrika en zuidelijk Azië. De luipaard wordt vooral in (oostelijk) Azië vaak panter genoemd. Bij de luipaard komt regelmatig een zwarte vorm voor: een soort albino, maar dan precies omgekeerd. Deze zwarte panters zijn dus geen aparte soort, maar een variatie van de luipaard.
  7. Het luipaard heft een heel gevarieerd menu. Ze eten insecten, vis, antiloopsoorten, apen, muizen, herten, eigenlijk alles wat ze kunnen vinden kan als maaltje verorberd worden.
  8. Het reukvermogen van een panter is heel goed, zelfs beter dan bij de tijger. Het gehoor is heel sterk: een panter kan heel hoge frequenties horen tot 100 kHz, ook als ze heel zacht zijn. De snorharen van een panter spelen ook een belangrijke rol. Ze veranderen van stand, afhankelijk van dingen die hij doet. Als hij loopt, staan ze zijdelings uitgespreid, bij het snuffelen staan ze langs de kop naar achteren en bij het aanvallen van een prooi staan ze naar voren gericht, waardoor hij op de goede plek kan toebijten.

Deze diashow vereist JavaScript.

FEED-FORWARD